
(De afbeeldingen van de
shogiborden zijn schermafdrukken van Reijer Grimbergen's shogiprogramma
Spear.) |
Shogi wordt gespeeld op een bord met 9x9 ongekleurde velden. De
stukken, van hout of kunststof, liggen plat op het bord. De naam van het stuk
staat erop geschreven met Japanse karakters. Dat lijkt lastig, maar de praktijk
leert dat het zeer snel went. Alle stukken hebben dezelfde vorm en kleur.
Doel van het spel is, net als bij het "gewone" schaken, de koning
mat te zetten. Elke speler beschikt bij het begin van het spel over 20 stukken:
een koning, een toren, een loper, twee gouden generaals, twee
zilveren generaals (kortweg "goud" en "zilver" genoemd), twee paarden, twee
lansen en negen pionnen. |
|
De meeste stukken hebben een geringe reikwijdte. Dit lijkt wat saai, maar
Shogi heeft twee belangrijke afwijkingen van het internationale schaken, die
dat ruimschoots compenseren.
Er zijn meer promotiemogelijkheden voor de stukken, maar het meest
opmerkelijke van Shogi is de regel, dat een speler stukken die hij slaat
weer kan gebruiken als een eigen stuk. In plaats van een zet met een stuk op
het bord kan hij een geslagen stuk inzetten op een leeg veld.
Deze laatste regel maakt Shogi tot een boeiend spel. Gevolg van de regel is
onder andere, dat er weinig remise gespeeld wordt. Anders dan bij het
internationale schaken raakt het bord niet leeg, alle stukken blijven in het
spel ook al liggen ze naast het bord. Bij de beoordeling van een stelling
moet men dus niet alleen kijken naar de stukken op het bord, maar ook naar
die naast het bord en waar ze kunnen worden ingezet. Men zal er echt naar
moeten streven de koning van de tegenstander mat te zetten. Daarbij kan soms
flink geofferd worden.
|